Waarom dit verhaal?

Het zwijgen van de klas van 74 schetst een mooi, maar beklemmend beeld van het katholieke Vlaanderen van de jaren zeventig, en laat zien hoe datzelfde Vlaanderen inmiddels sterk is veranderd. Veertig jaar lang werd er niet gepraat over de zware brand die het Heilig Hartcollege trof, waarbij 23 jongens stierven. Niet over wie er verantwoordelijk was, niet over hoe de oud-leerlingen verder moesten met hun leven: alle herinneringen konden maar beter uitgewist worden.


> Lees meer

Het zwijgen van de klas van '74

Door Stijn Tormans
E

r zijn van die klasreünies die anders zijn dan alle andere. Veertig jaar geleden stierven 23 jongens in een collegebrand. Onlangs kwamen degenen die het overleefden nog eens samen. Een verhaal over jongens die jaren geleden een dure eed zwoeren die ze nooit zouden verbreken.

Uitnodiging gekregen. ‘Veertig jaar geleden werd het Heilig Hartcollege in Berkenbos getroffen door een zware brand. De school nodigt zaterdagavond oud-leerlingen, familie en vrienden uit voor een eucharistieviering om de slachtoffers van toen te herdenken. Nadien is er gelegenheid voor een babbel in de eetzaal van de school.’

Zaterdagavond. Op de snelweg naar Hasselt neem ik afslag 26. Berkenbos is een klein gehucht van Heusden-Zolder, groot geworden door de mijnen. Aan de Minderbroederstraat staan een oude kapel en een school. Veertig jaar geleden was dit het decor van een nooit uitgeklaarde ramp.
23 januari 1974 moest een grijze woensdag worden. In de namiddag voetballen de internen tegen elkaar. Na een leesstudie trekt iedereen in rijen naar de slaapzaal. De meesten vallen meteen in slaap, alleen enkelingen horen in de gang de voetstappen van de surveillant. Om halfelf schrikken ook andere leerlingen wakker: boven de houten chambrettes zien ze vlammen, gevolgd door een ontploffing. Het vuur breidt snel uit. Een paar tellen later staat een jongen aangekleed op de speelplaats, anderen volgen in pyjama. Drieëntwintig jongens komen nooit buiten.
Het land staat stil, zelfs de paus stuurt een rouwtelegram. Over de oorzaak van de brand doen de gekste geruchten de ronde: van een kwajongensstreek van de aangeklede jongen tot een verdwaalde kogel van een straaljager. Nooit worden ze tegengesproken door een officiële versie. De nabestaanden moeten leren leven met de officieuze uitleg: een jongen zou per ongeluk met een sigaret in slaap gevallen zijn. Hij had het vuur proberen te blussen met een bus haarlak, maar dat was geen goed idee.
De ramp verdwijnt in de vergetelheid, en wordt zelfs gewist uit het collectieve geheugen. Ook op de school is erover praten jarenlang verboden. Vragen om herdenkingen worden afgewimpeld, het woord ‘brand’ uitspreken is een doodzonde.
Tijden veranderen gelukkig, directies ook. Sinds acht jaar wordt de brand herdacht. Op verzoek van een oud-leerling en met dank aan de nieuwe directeur.

FOTO: SASKIA VANDERSTICHELE
‘Er is nooit een proces geweest, nooit zijn er schuldigen aangeduid. Vandaag zou dat ondenkbaar zijn, maar in 1974 waren ouders nog niet zo assertief.’

De kapel van Berkenbos is goed gevuld. Na de communie komen twee oud-leerlingen naar voren. ‘Het zwaarste moment was de uitvaartplechtigheid’, zegt een van hen. ‘Al die kisten op een rij deden me de kerk uit vluchten, dat beeld heeft me lang achtervolgd. Jaren ben ik ’s nachts opgestaan. Ik kroop in de kast of achter een gordijn, op zoek naar een uitweg. In een onbekende ruimte ga ik nog altijd eerst op zoek naar een nooduitgang. Na de ramp werd nergens over de brand en de slachtoffers gepraat. Waardoor hij een taboe werd en uit mijn geest werd verbannen. Pas acht jaar geleden kon ik aan de verwerking beginnen door contact met de school en de herdenkingsvieringen. Eindelijk kom ik tot rust, na veertig jaar.’
‘Iedereen die dat wil, kan napraten in de refter’, zegt de pastoor. ‘Er is taart. Ga allen heen in vrede.’

Een halfuur later, in de refter. Een honderdtal mensen discussiëren met kersentaart en klasfoto’s in de hand. Ik praat wat met Peter Poels, Andre Leyssens en Patrick Declerck. Drie leden van de klas van ‘74. ‘Het is vreemd om hier terug te komen’, zegt Peter. Veertig jaar heeft hij zijn schoolgenoten niet meer gezien. Hij herkent de klas van ‘74 zelfs niet meer. ‘Toch’, zegt hij, ‘zal die nacht ons altijd binden.’
Peter is door toeval aan het vuur ontsnapt. ‘Twee dagen voor de brand moest ik naar een andere slaapzaal verhuizen. Een paar jongens hadden spook gespeeld, en de surveillanten wilden hen in het oog houden. Achteraf bleek dat mijn redding: de jongen die in mijn oude bed lag, is omgekomen. Ik werd die nacht gewekt door geschreeuw. Iemand riep: ‘IK HEB HET NIET GEDAAN! IK HEB HET NIET GEDAAN!’ Als laatste ben ik naar beneden gelopen. Op de vloer lag er een bloedspoor.’
Andre: ‘Dat bloed kwam van mij, Peter. Ik was zwaar verbrand en ben tegen een glazen deur gelopen. Pas elf maanden later kon ik terug naar school.’
Peter: ‘Dat herinner ik me, net als de grote stilte achteraf. Na een weesgegroetje begonnen de lessen weer. 23 gezichten waren weg, maar niemand zei daar iets over. Als kind besef je het belang niet van slachtofferhulp. Nu wel. Zie ons hier nu zitten, veertig jaar later.’
Patrick: ‘Ik praatte er wel over. Tot groot ongenoegen van de paters, die in die tijd oppermachtig waren. Op het einde van het schooljaar zeiden ze tegen mijn ouders: “Het is beter dat uw zoon naar een andere school gaat.” Er kwamen nieuwe generaties aan, de herinnering moest uitgewist worden.’

‘Waarom?’ vraag ik.
‘Het was een psychologisch steekspel. De brandveiligheid was niet in orde. Er is nooit een proces geweest, nooit zijn er schuldigen aangeduid. Vandaag zou dat ondenkbaar zijn, maar in 1974 waren ouders nog niet zo assertief. Er zijn ook niet zulke fraaie dingen gebeurd na de ramp. Een leraar werd opgesloten en verplicht om zijn leerlingen te identificeren. Die man heeft daar jaren van afgezien en is gekraakt. Hij is dan ontslagen door de paters.’
‘Hoe zou het eigenlijk zijn met de Spreeuw en de Pijp?’ oppert Peter.
‘Wie zijn dat?’ vraag ik.
‘De twee paters-surveillanten van toen, die toezicht moesten houden op de slaapzalen. Toen de brand uitbrak, zijn een paar leerlingen naar het kot van de Spreeuw gegaan. Maar zijn lokaal was leeg. Hij was waarschijnlijk een pintje gaan drinken.’
Patrick: ‘Niemand geeft hem de schuld voor de brand. Het was een ongeval, net zoals het busongeval in Sierre. Ik koester geen haatgevoelens, maar heb het wel moeilijk met de manier waarop de paters de slachtoffers behandelden. Valt het niet op dat ze hier vanavond niet zijn? Zelfs na veertig jaar weten ze niet hoe ze hiermee moeten omgaan.’

‘23 gezichten waren weg, maar niemand zei daar iets over’

‘Merkwaardig dat die brand nog altijd zo leeft’, zeg ik.
‘Dat kan ook niet anders’, zegt Peter. ‘Zo’n ramp verandert alles. Ik zou vanavond niet graag mijn tante tegenkomen. Haar zoon is omgekomen. Voor de brand gingen wij vaak op bezoek bij haar, daarna nooit meer. Als ik in de buurt was, liep ze weg. Het was te pijnlijk: ik leefde nog, terwijl haar kind dood was. Twintig jaar later ben ik haar toevallig nog eens tegengekomen. “Zo had onze Erik ook kunnen zijn”, zei ze direct. Door merg en been ging dat. Allebei beseften we dat het beter was om elkaar nooit meer te zien.’
Patrick: ‘Een paar maanden voor de brand had ik mijn beste vriend verloren. Hij is gestorven in bad. Een van de leraars probeerde me te troosten: “Patrick, het is niet goed dat je maar één vriend hebt.” Hij heeft gelijk, dacht ik. Tot ik die nacht drieëntwintig vrienden verloor. De maanden daarna sloot ik me tijdens de speeltijd op in de toiletten: ik wou geen vrienden meer. Ook nu, zoveel jaren later, heb ik nog altijd moeite om mensen toe te laten. Later ben ik vier jaar directeur geweest van het Greet Rouffaer Huis, een nazorgcentrum voor brandwondenpatiënten. Ik was blij dat ik hen kon helpen, want ik wist wat ze meegemaakt hadden. Heel wat families en oud-leerlingen zijn toen voor de eerste keer met onze psychologen komen praten.’

FOTO: SASKIA VANDERSTICHELE
Andre en de namen van zijn oude kameraden. ‘We hadden een ongelooflijke band. Alleen wie intern geweest is, kan dat begrijpen.’

Andre (toont zijn verminkte handen): ‘Je moet ermee leren omgaan. Mensen beschouwden me als “een mindervalide”. Voor mij was dat een stimulans om iets van mijn leven te maken. Later ben ik industrieel ingenieur en licentiaat in de veiligheidstechnieken geworden: vandaag controleer ik overal de brandveiligheid.’

Ook Andre kon die ene dag niet uit zijn hoofd bannen. ‘Zes dagen op de zeven waren wij bij elkaar. Alles deden we samen: sporten, studeren, slapen. De kameraadschap van toen, de sfeer in de houten chambrettes: alleen mensen die ooit intern geweest zijn, begrijpen dat. Nooit heb ik afscheid kunnen nemen van hen. Omdat ik zwaar verbrand was, hebben ze me pas later verteld dat mijn vrienden dood en begraven waren.’
Vijf jaar geleden ging Andre de graven van zijn oude maten opzoeken. Hij moest dat doen, zegt hij, het bleef maar knagen. ‘Het werd een helse zoektocht, want heel wat jongens lagen intussen op een andere plaats. Eén graf vergeet ik niet: twee jongens zijn destijds onder één zerk begraven omdat het goede vrienden waren. Vreemd genoeg vond ik maar een van de twee terug. “Wat is er met die andere jongen gebeurd?” vroeg ik aan een grafdelver die daar rondliep. “Dat is een vreemd verhaal”, antwoordde hij. “Op een dag moest het gemeenschappelijke graf weg. Alleen waren de twee ouderparen het oneens: een koppel wilde hen herbegraven, de anderen zagen dat niet zitten. Ze hebben dan met een slijpschijf de zerk in tweeën gesneden. De ene jongen heeft nu een nieuw graf, de andere ligt in een massagraf.” Ik verwijt dat die ouders niet. Iedereen verwerkt de dood van een kind anders. Misschien was het voor hen tijd om alles af te sluiten. Alle begrip daarvoor.’
‘Zorgden die kerkhofbezoeken voor gemoedsrust?’
‘Ja’, zegt hij. Maar het was geen gemakkelijke tocht, ook al omdat oude waarheden werden herschreven. ‘Er is nog een kameraad opgegraven. Zijn ouders dachten al die jaren dat hij in zijn slaap gestorven is. Toen ze de kist opendeden, bleek dat dat niet zo was. Hij had nog geprobeerd te vluchten.’

‘Nooit vergeet ik het geschreeuw van de ouders die hun zoon kwamen identificeren’

Het is al laat, de kersentaart is op. We lopen door de oude gangen. Binnenkort worden deze blok en de slaapzaal gesloopt, maar dat doet de klas van ‘74 niets. Geen zin in nostalgie. Ze blijven wel staan bij een bord waar 23 namen en ‘we vergeten jullie niet’ op staat. ‘Dat hangt hier nog niet zo lang. Vroeger zou zo’n bord ondenkbaar geweest zijn.’
We stappen naar buiten. Het regent.
‘Ga morgen eens op het kerkhof kijken’, zegt Andre. ‘Je zult schrikken.’

De volgende ochtend, op het kerkhof van Berkenbos. Op perceel G liggen drie identieke witte graven met dezelfde overlijdensdatum: 23 januari 1974. Er staat een bord voor: ‘Beste nabestaanden, binnenkort wordt dit graf ontruimd.’ Ze zijn niet de enigen met een bord: achthonderd graven moeten hier straks weg. ‘Omdat er plaatsgebrek is’, zeggen de politici. Niet iedereen in Berkenbos is het daarmee eens. De ontruimingen zorgden zelfs voor een volksopstand: de oude brandwonde werd, jaren later, weer eens opengereten. Het gemeentebestuur heeft nu een werkgroep opgericht, die voor een oplossing moet zorgen. Voorzitter is een Turkse schepen. ‘Maar hij heeft weinig voeling met wat er toen gebeurd is’, zeggen de oud-leerlingen.

’s Avonds drink ik een glas bij René en Julia Loos, de ouders van Peter. Een van de drie jongens die op Berkenbos ligt. ‘Normaal gezien moet het graf van onze Peter in april verdwijnen’, zeggen ze. ‘De vorige burgemeester heeft beloofd dat hij herbegraven wordt, maar ze zit nu in de oppositie. We weten niet wat er zal gebeuren.’ Dat de laatste herinnering aan hun zoon straks misschien verdwijnt, daar willen ze zelfs niet aan denken.

FOTO: SASKIA VANDERSTICHELE
‘Elke dag zagen we leerlingen in de klas zitten met brandwonden. Het was beter om er niets over te zeggen. Gesprekken draaiden toch altijd uit op die ene vraag: “Wie heeft dit gedaan?”’

Mooi koppel, René en Julia, maar ook zij zijn getekend door wat er veertig jaar geleden gebeurd is. ‘We zijn het te weten gekomen door mijn schoonbroer, die het in de mijnen gehoord had’, zegt Julia.
René: ‘Van de school hebben we nooit iets gehoord. Ik werd wel opgeroepen voor de identificatie, maar mijn vrouw mocht niet mee. “Alleen mannen”, zeiden ze. “Als het zo zit, wil ik mijn zoon ook niet zien”, antwoordde ik. “Sta me toe dat ik geen voorrecht krijg op mijn vrouw.”’
Julia: ‘Later kregen we een brief in de bus. ‘Schikkingen voor de begrafenis’ stond erop. (leest voor) ‘De kisten en doodsprentjes zijn eenvormig: daarover wordt geen discussie gevoerd. (...) Er is een streng verbod voor gelijk welk familielid om het kind na de identificatie nog te zien. (...) Alleen de zeer nauwe familie kan naar de officiële plechtigheid komen. Daarvoor worden kaarten uitgedeeld. (...)’
René: ‘We hebben kaarten gekregen, maar geen goede. Tijdens de plechtigheid zaten we ergens achter een paal. Helemaal vooraan zaten de prominenten en politici. We konden amper de kist van ons kind zien.’
Julia: ‘Na de brand hebben ze ons gevraagd om andere ouders op te zoeken, maar daar zijn we mee gestopt. Telkens als ik thuiskwam, was ik kapot.’
René: ‘8 van de 23 koppels zijn intussen gescheiden. Ook bij ons was het niet altijd gemakkelijk. Maar we hebben ons erdoor geslagen.’
Julia: (wijst naar René) ‘Dankzij hem. Hij heeft altijd ongelooflijk veel begrip getoond. Van de paters hebben we niets meer gehoord.’
In het begin waren René en Julia kwaad. Maar veertig jaar kwaad zijn, dat houdt niemand vol. Drie jaar geleden schreef Julia een brief naar de Spreeuw. ‘Een verzoenende brief zonder verwijten, of we eens konden praten.’ Nooit kwam er een antwoord.

‘Meneer, Berkenbos is een afgesloten hoofdstuk. Ik wil er niet meer over spreken. Ik hoop dat ge mijn beslissing respecteert. Daag’

De Spreeuw en de Pijp wonen al lang niet meer in de Minderbroederstraat in Berkenbos, maar zijn vandaag allebei overste van een minderbroedersorde, ergens in het land. Ze hebben wel een telefoonnummer achtergelaten.
‘Hallo, met pater Spreeuwers.’
‘Dag, meneer. Zouden we kunnen praten over Berkenbos?’
(lange stilte) ‘Nee meneer, dat kan niet. Mijn excuses. Het ligt allemaal nog veel te gevoelig.’
De Pijp twijfelt minder:
‘Meneer, Berkenbos is een afgesloten hoofdstuk.’
‘Niet voor de klas van ‘74.’
‘Ik wil er niet meer over spreken. Ik hoop dat ge mijn beslissing respecteert. Daag.’

Na de brand veranderde het Heilig Hartcollege van naam. Eén voor één trokken de paters weg, vertelt een oud-leraar. Maar de omerta in de leraarskamer bleef intact. ‘Elke dag zagen we leerlingen in de klas zitten met brandwonden. Het was beter om er niets over te zeggen. Gesprekken draaiden toch uit op die ene vraag: “Wie heeft dit gedaan?”’
Die ene vervloekte vraag waar niemand een antwoord op wou. Zelfs de politie en het gerecht niet. De onderzoeker die destijds met de zaak bezig was, is dood. Jaren na de brand zei hij: ‘Alles wees in dezelfde richting, naar dezelfde jongen. We hebben de knaap ondervraagd. Hij was vrijwel zeker de jongen die we zochten, en ik voelde dat hij op het punt stond te bekennen. Toen moesten we met z’n allen boven komen. “Werk uw foto’s af, maak uw verslagen op en lever alles in.” De zaak werd ons uit handen genomen (...) Door druk van hogerhand. En van buitenuit. “Laat dat,” werd er gezegd, “er zijn al zoveel doden, en of die jongen nu bekent of niet is weinig relevant...” En eigenlijk was dat ook zo. Zijn bekentenis veranderde niets aan het aantal slachtoffers, niets aan de burgerlijke aansprakelijkheid, want het was toch de school die ervoor moest opdraaien. Hij was al genoeg gestraft. (...) Die jongen moest voortleven met het idee dat hij zoveel doden op zijn geweten heeft. Ik herinner me hem van de ondervraging. Hij zat daar stijf van schrik. Hij besefte wel dat er zoveel doden waren, maar probeerde dat te verdringen. Tóén al.’

Een paar dagen later. Afgesproken op een Genks terras met Marc Hoogsteyns, een bekende cameraman en oorlogsjournalist. Hij was niet op de herdenking, want ‘dat is niets voor mij’. Maar ook hij was dus lid van de klas van ‘74. Vandaag schrijft hij op zijn Facebook: ‘De brand, het is veertig jaar geleden.’
‘Ik heb je er vaak over horen praten, Marc’, antwoordt iemand. ‘Sterkte.’
‘Ik lag op twee meter vanwaar de brand ontstaan is’, zegt Marc. ‘De BOB heeft mij lang verdacht, want ik had altijd sigaretten bij me. Uren hebben ze mij ondervraagd. Maar ik had het dus niet gedaan.’

‘Nooit vergeet ik het geschreeuw van de ouders die hun zoon kwamen identificeren’

Berkenbos was een school van de oude stempel, zegt Marc. ‘Er heerste een ijzeren discipline. Een paar weken voor de brand was er een zwaar onweer: deuren en ramen van de slaapzaal klapten open. Een aantal kinderen is toen naar de waszaal gevlucht. Ze kregen allemaal straf van de surveillant. Nul op gedrag, dat was zowat het ergste wat je kon overkomen. Toen die brand uitbrak, ben ik meteen gaan lopen. Het kon me niet schelen dat ik een nul had. Maar ik vrees dat heel wat brave jongens niet durfden te vluchten.’
‘Achteraf bekeken was dat natuurlijk een heel akelige nacht. Nooit vergeet ik het geschreeuw van de ouders die hun zoon kwamen identificeren. Maar als kind beleefde ik dat totaal anders. Het leek wel een grote show waarin ik meespeelde. Al die camera’s, dat intrigeerde mij. Daar is mijn droom ontstaan om journalist te worden.’

De droom kwam later ook uit. ‘Ik ben oorlogsreporter geworden. Heb verslag gedaan van de genocide in Rwanda, ben in Congo en Somalië geweest. Ik heb over landmijnen gereden in Cambodja, zo vaak ben ik net ontsnapt aan de dood. Dikwijls heb ik me afgevraagd: waarom doe ik dit? Voor de kick, dat zeker, maar het had ook met Berkenbos te maken.’
De klap kwam later. ‘Vandaag heb ik het onder controle, maar ik heb lang last gehad van posttraumatische stressstoornissen. ’s Nachts kreeg ik plots flashbacks. Beelden van oorlogssituaties, verkoolde lijken, maar elke keer ook van die brand in Berkenbos.’ Er was wel een verschil, zegt hij. In de chambrettes lag niet de klas van ‘74, maar zijn vrouw en kinderen.

Hij steekt een sigaret op, de zoveelste.
‘Vorige maand ben ik in Hasselt de Spreeuw tegengekomen op straat’, zegt hij plots. ‘Ik schrok natuurlijk wel. De Spreeuw was de man die mij uiteindelijk buitengesmeten heeft. Terecht. Ik was a rebel without a cause. Na de brand heb ik vijf jaar het beest uitgehangen: stakingen georganiseerd, op de biechtstoel gekakt, de Spreeuw opgesloten in zijn kantoor en de sleutel doorgesjast in het toilet... De paters hadden mij er al veel eerder moeten uitgooien. Maar ze durfden niet. Uit schuldgevoel, denk ik.’

Veertig jaar later stond Marc oog in oog met de surveillant van zijn jeugd. ‘We herkenden elkaar meteen. “Hoogsteyns.” “Spreeuw.”
Het eerste wat hij vroeg was: “Die brand, neem je mij dat kwalijk?”
”Maar nee, Spreeuw. Het was een ongeval. Niemand treft schuld.”
”Het is fijn dat je dat zegt. Kon ik dat maar geloven.”
“Ik weet wat je meemaakt, Spreeuw. Ik heb lang met dezelfde schuldgevoelens gezeten. In de oorlog doen mensen de gekste dingen voor de camera. De ene partij wil stoer doen en begint te schieten. De tegenpartij wil niet onderdoen en schiet terug: zo vallen er doden. Natuurlijk dacht ik achteraf vaak: als ik daar niet met mijn camera had gestaan, waren die mensen nog in leven. Maar is het mijn schuld dat ze dood zijn?”
We hebben nog een uur gepraat. Die strenge surveillant van toen bleek een zachtmoedige man, die ook worstelde met dat verleden. Ik had met hem te doen, sympathiseerde zelfs met hem. Natuurlijk hadden ze het destijds anders moeten aanpakken. Maar die paters waren ook het product van hun opvoeding en hun verleden. Net zoals wij, de klas van ‘74, gevormd zijn door de brand.’

FOTO: SASKIA VANDERSTICHELE
De klas van ’74 blijft staan bij een bord waar 23 namen en ‘we vergeten jullie niet’ op staat. ‘Dat hangt hier nog niet zo lang. Vroeger zou zo’n bord ondenkbaar geweest zijn.’

‘Marc,’ vraag ik, ‘wie heeft die sigaret laten branden?’
Er zijn maar drie mensen die dat weten, zegt hij. ‘Maar nooit zal ik dat verklappen.’ Jaren her hadden ze dat afgesproken in de houten chambrettes van Berkenbos. Internen onder elkaar. Waar ze ook zouden verzeilen in de wereld, wat er ook zou gebeuren: nooit zouden ze elkaar verraden, de eed van de klas van ‘74 breken.
‘Toen was ik nog een snotneus’, zegt Marc. ‘Maar later begreep ik waarom het belangrijk is om een geheim te bewaren. In de oorlog heb ik veel slachtpartijen gezien. Vaak kon ik zwart op wit bewijzen wie de schuldige was, maar toch heb ik daar niets mee gedaan.’
‘Waarom niet?’
‘Ik had er twee artikels over kunnen schrijven, meer had ik niet verkocht gekregen. Daarmee zou ik verbrand zijn als oorlogsjournalist, want ze hadden mij direct het land uit gezet. En had het iets veranderd? Nee, want die doden waren daardoor niet weer gaan leven. Soms is stilte ook goed.’
‘Heeft de waarheid dan geen rechten?’
‘Natuurlijk wel. Alleen is de schuldvraag hier totaal irrelevant. Berkenbos was een ongeval. Een stom, dom ongeval.’

PS. Na het lezen van dit stuk belde Patrick Declerck, lid van de klas van ‘74. ‘Ik weet niet of we er goed aan gedaan hebben om allemaal te zwijgen. Nu doen we nog alsof we hem een dienst bewezen hebben door niets te zeggen. Terwijl we hem met iets vreselijks opgezadeld hebben. Ik weet dat hij een verschrikkelijk leven heeft gehad. Die man leeft al veertig jaar met een kruis. Dit artikel gaat voorbij, maar hij zit daar over tien jaar nog mee. We hadden onze kameraad moeten helpen, en hem laten begeleiden door psychologen. Wat hebben we die man aangedaan?’



Categorie:
TIJDSCHRIFTEN
Verschenen:
Knack
Jaar:
2014
 Leestijd 15 min.

De maker licht toe

Een stukje op de regiopagina’s van de krant trekt de aandacht van Knack-verslaggever Stijn Tormans: ‘Een herdenking van de collegebrand van Berkenbos in 1974. Ik ben toch wat vertrouwd met de Belgische geschiedenis, maar van die ramp had ik nog nooit gehoord. Vreemd.’ Hij mailt de school om te vragen of hij mag langskomen. Dat mag. Er is een misviering en daarna een reünie voor de jongens die de ramp hebben overleefd. ‘Tot diep in de avond heb ik met die mannen gepraat.’


> Lees meer

Stijn Tormans

Stijn Tormans (1976) studeerde sociologie en antropologie en werkt sinds 2001 als journalist voor het weekblad Knack. Hij schrijft vooral over mens, maatschappij ‘en alles wat daartussen ligt’. Zijn beste artikelen werden gebundeld in Verhalen en reportages (2010), genomineerd voor de Groene Waterman Prijs 2011. Tormans won in 2011 de eerste Grote Prijs Jan Wauters, die is voorbehouden aan een Vlaming ‘van wie het taalgebruik getuigt van een uitstekende taalbeheersing en een grote creativiteit’.


> Lees meer

Stuur je verhalen in

Ook de beste verhalen van 2016 worden natuurlijk weer verzameld in Meestervertellers, de beste verhalende journalistiek. Heb je zelf een prachtig verhalend project gedaan – of ga je dat nog maken in 2016? Stuur het in voor Meestervertellers. De jaarboekredactie zoekt zelf actief naar goede verhalende projecten in Nederland en Vlaanderen en bekijkt alle inzendingen. Gezamenlijk wordt daaruit een selectie gemaakt; een bloemlezing van de meest geslaagde, meest leerzame en meest inspirerende verhalende journalistieke projecten. Inzenden voor Meestervertellers kan naar: secretariaat@verhalendejournalistiek.nl.

Zoek op categorie:
Zoek op jaar:

Webdesign by Studio Odilo Girod / Girod.nl CMS & hosting by Gerben Schmidt / Blogbird.nl